Waarom je geen plek kan innemen, als je geen plek aanneemt

Zijn auto staat al op de parkeerplaats, ruim voor de inlooptijd die om 9.30 uur start. Om exact 9.30 uur komt hij binnen. Hij is formeler gekleed dan de meeste deelnemers die hier binnenkomen. Hij schudt ons de hand en ik wijs hem de plek waar hij koffie en thee kan pakken.

Hij kijkt de nog lege kring met stoelen rond en neemt plaats. Hij zit met kaarsrechte rug. Ik probeer een grapje om hem wat op z’n gemak te stellen. Of misschien ook wel om mezelf wat gerust te stellen.

Ongemak is besmettelijk. En in deze training, waarin we twee dagen kijken naar de diep ingesleten patronen die deelnemers tegenkomen in het contact met zichzelf en de ander, is dat ongemak onontkoombaar groot.

En ook ik ontkom daar niet aan. Mijn eigen ongemak is het grootst van het moment van binnenkomst van de deelnemers, tot het moment dat we echt starten met de training. Dan voelt het alsof mijn plek nog niet helemaal duidelijk is. En daar komen allerlei twijfels in mee waar ik minder last van heb als we eenmaal begonnen zijn. Ik manoeuvreer me net als alle anderen in de ruimte in een mistig gebied van ongeschreven regels.

En zo is de training al lang begonnen, voordat we begonnen zijn.

Wil je ook stappen zetten in je leiderschap of persoonlijke ontwikkeling? Bekijk dan ons aanbod.

Er druppelen nu meer deelnemers binnen. Ieder met hun eigen mechanismen in antwoord op hun bang zijn. Eentje vertrekt direct naar het toilet. Een ander begint meteen koffie en thee te maken voor de andere deelnemers. Iemand kletst alle stiltes vol. En nog iemand anders gaat buiten staan om in de verte te staren. Allemaal prima oplossingen. En vaak ook een beetje, of behoorlijk onvrij.

Ik doe mijn best om iedereen zich welkom te laten voelen. En ik moet ook steeds weer constateren dat dat geen echte ontspanning oplevert. En eigenlijk moet dat ook niet. Deze spanning is precies waar deze twee dagen over gaan. En zo is de training al lang begonnen, voordat we begonnen zijn.

In dit werk verkopen we herkansingen, zeg ik weleens in een intake. Herkansingen om te leren wat je tot nog niet, of niet voldoende kon leren. En voor een goede herkansing, moet je een beetje in de penarie komen. Penarie die je overlevingsmechanismen triggert. Zodat je kan oefenen met iets nieuws. Met wat je nog meer kan doen op de momenten dat je geneigd bent om weer in de oude groef terecht te komen.

Een aantal deelnemers die hier vandaag en morgen bij de training ‘Ik en de anderen’ zijn, wilden aanvankelijk liever individuele coaching dan een training in een groep. Het idee van een groep deed ze huiveren. En juist daarom is er veel te leren in een groep. Een groep levert je meer penarie op. En dus meer herkansingsmogelijkheden.

Zo was dat ook voor hem. Hij vindt anderen vaak lastig. Hij heeft snel carrière gemaakt en hij heeft het gevoel dat hij sinds zijn laatste promotie met de nek wordt aangekeken door sommige collega’s. Hij is arrogant genoemd en dat heeft hem aangegrepen, vertelt hij me in het intakegesprek. Hij vertelt het, maar hij laat het me nog niet zien. Zijn gezicht blijft onbewogen en ook zijn lijf verroert zich niet.

“Mijn hele leven ben ik al bezig met de vraag: hoe verhoud ik me tot jou?”

Toen hij net begon met werken was hij juist erg onzeker geweest. Dat ging nu beter, maar nu werd hij juist weer als arrogant ervaren. Er spreekt moedeloosheid uit zijn woorden.

We voeren een prima gesprek. Een prima gesprek op de inhoud. Alles dat op dit moment van belang is lijkt op tafel te zijn gekomen. Maar er is weinig echt contact. Het is een slim gesprek. Ik kom nog niet voorbij zijn pantsers. Hij is afwachtend. En bij iedere vraag die ik hem stel lijkt hij zich meer af te vragen wat het goede antwoord is, dan wat het echte antwoord is.

Ik ben even in de verleiding om dit meteen te doorbreken. Maar ik voel ook dat ik hem dan te snel zou ontmaskeren. Ergens diep van binnen hebben we allemaal wel het verlangen voelen om uiteindelijk ontmaskerd te worden, om gezien en verwelkomd te worden precies zoals we zijn. Toch lijkt me dat voor nu nog wat te vroeg. Bovendien zou een deel van de motivatie zijn dat ik dan meer kan ontspannen. En dat klopt niet. Dus ik besluit eerst te bouwen aan vertrouwen. En zo te zien is het niet vanzelfsprekend om dat zomaar van hem te krijgen.

In zijn voorbereidende opdrachten schrijft hij: “Mijn hele leven ben ik al bezig met de vraag: hoe verhoud ik me tot jou?” Hij schrijft ook hoeveel hij bezig is met winnen. Al lezende vraag ik me wel af of zijn strategie om te winnen echt over winnen gaat. Het lijkt er meer op dat hij de wens heeft om er heelhuids vanaf te komen, om het te overleven, dan dat het hem echt gaat om het winnen.

“Als je me echt zou kennen, zou je weten dat ik in contact met anderen nooit mezelf ben.”

In de kennismakingsronde vragen we deelnemers een zin af te maken: “Als je me echt zou kennen, dan zou je weten dat ik in contact met anderen….”

Robin van Soolingen, mijn collega trainer en ik gaan de groep voor. Ik vertel iets over de angst dat ik teveel ben. Te wild, te snel, te luidruchtig, te aanwezig. En over hoe er dan altijd schaamte om de hoek komt.

De deelnemers beginnen openhartig. Zo nu en dan reageren ze op wat een ander zegt. Met herkenning, ontroering, of verbazing. Hij zegt niks. Doodstil en letterlijk onbewogen zit hij nog steeds kaarsrecht op zijn stoel.

Hij neemt als laatste de beurt. “Als je me echt zou kennen, zou je weten dat ik in contact met anderen nooit mezelf ben.” Het is stil in de ruimte na dit statement. Zijn gezicht is strak. Zijn woorden zijn in zichzelf al pijnlijk. Maar zijn staccato manier van spreken maakt ze nog pijnlijker. Daarmee verraadt hij wat een wereld er achter die woorden schuil moet gaan.

We onderzoeken welke eerste beweging deelnemers maken in het contact. Letterlijk, welke beweging hun lijf maakt in de eerste seconde van de ontmoeting. En ook waar die beweging voor staat.

Mijn eerste beweging is vaak dat ik mijn kin omhoog doe. Een beweging van een paar millimeter. Maar eentje met grote gevolgen in het contact. In de tijd dat ik me daar nog minder bewust van was, ben ik ook meer dan eens arrogant genoemd. Hoe banger ik was, hoe arroganter ze me vonden.

Ontoegankelijk werd ik genoemd. In eerste instantie begreep ik daar niks van. Ik was toch best open in wat ik deelde? En dat klopte ook wel. Ik was open in de woorden die ik gebruikte. Maar ondertussen had ik mijn verdediging goed op orde. En daarmee was het ook nagenoeg onmogelijk om echt toegang te krijgen.

Ik leerde waar te nemen wanneer ik dat deed, die kin omhoog. En ik leerde op die momenten mijn angst en mijn verlangens of behoeftes uit te spreken. Daardoor kreeg de ander meer toegang en leek de wereld om mij heen liefdevoller te zijn geworden, zonder dat er aan die wereld iets veranderd was. Ik leerde opnieuw te kijken. En daardoor hoefde die kin niet meer zo vaak de lucht in. Toen ik leerde om mijn eigen angst mee te laten doen, werden anderen niet meer zo bang van me.

Ik vermoed dat er bij hem een vergelijkbare dynamiek speelt. Dat ook hij zijn verdediging goed op orde heeft. En dat hij heel goede redenen heeft om dat te doen. Dat het ooit, letterlijk of figuurlijk, van levensbelang is geweest.

Als mensen de moed hebben je te laten zien waarom ze het doen zoals ze het doen, dan maakt dat vaak heel mild. Ook als ze er echt een potje van maken. En zelfs als ze zichzelf of anderen schade toebrengen met hun gedrag. Als je wat meer naar binnen mag kijken, blijken ze altijd een verdomd goede reden te hebben om het zo te doen. Die reden is wel vaak achterhaald en niet meer van nu. En het betekent ook niet dat ze er dan maar in moeten berusten en het moeten blijven doen. Maar het helpt mij om steeds weer te kunnen zien dat mensen iets nooit voor niks doen. Het is nooit zomaar.

In het intakegesprek vertelde hij kort over hoe hij gepest is. Hij somde er een reeks feiten over op. Hij was slim. Veel slimmer dan zijn klasgenoten. En dat hielp niet. Hij werd vaak buitengesloten. Had moeite met het maken van vrienden. En hij ervoer meer dan eens hoe opportunistisch kinderen kunnen zijn in hun vriendschappen. Hij werd door het jongetje waar hij in de zomer nog enthousiast boomhutten mee bouwde, in de winter intens gepest.

“Wat zie je?”, vraag ik opnieuw. “Heel veel ogen”, zegt hij.

In de training vertelt hij er meer over. We laten hem oefenen met eerst contact maken. Eerst contact met zijn eigen binnenwereld en dan contact met de buitenwereld. Het zweet staat op zijn voorhoofd als hij daarmee oefent. Maar hij wint enorm aan toegankelijkheid. Steeds laten we hem de kring rondkijken. “Wat zie je?” Zijn waarnemingen worden steeds zachter. Die zachtheid was er allang. Maar steeds beter leert hij die ook ook te zien en toe te laten.

Beetje bij beetje lijkt hij wat te ontdooien. Er komt langzaam wat meer kleur in zijn gezicht. En zijn humor krijgt wat meer ruimte. Zo nu en dan begint hij grapjes te maken. Na ieder grapje schieten zijn ogen wel steeds de kring rond. Alsof hij checkt of het nog oke is. Of hij nog oke is.

Waar loop je tegenaan?

Deel het met ons, verhelder je vraagstuk en onderzoek wat een passende vervolgstap is. Dat doen we met liefde. En kosteloos.  

Op de tweede dag heb ik het idee dat hij voldoende veiligheid ervaart om een wat diepere duik te nemen. Ik vraag hem of hij een stapje wil zetten. Hij knikt met opeengeklemde kaken.

Om een plek in te nemen, moet je ‘m eerst aannemen

Ik vraag de andere deelnemers om in een groepje bij elkaar te gaan staan. Hij staat naast me en samen kijken we naar de groep die een paar meter verderop staat. Zonder dat ik daarom vroeg hebben ze een plek opengelaten in het kluitje mensen.

Zijn hele lichaam verstrakt.

“Wat zie je?”, vraag ik opnieuw.

“Heel veel ogen”, zegt hij.

“Hoe kijken die ogen?”

“Volgens mij wel vriendelijk”, zegt hij met enig ongeloof in zijn stem.

“Wat zie je nog meer?”, vraag ik.

“Er is een plek voor mij”, zegt hij. “En dat maakt het extra spannend.”

“Dat kan ik me voorstellen”, zeg ik. “Zeker als je er zo aan gewend bent geraakt dat er geen plek voor je is.”

Zijn ogen vullen zich met tranen en hij knikt.

Ik vraag hem om stapje voor stapje zijn plek in te nemen in de groep. Oppervlakkig gezien is dat natuurlijk een oefening van niks. Een paar stappen en hij is er. Maar in die stappen moet hij langs vele ervaringen van uitgesloten worden, onbegrepen zijn en verraden en afgewezen worden.

Heel voorzichtig komt hij dichterbij. Hij nadert de groep alsof hij op een gevaarlijk zevenkoppig monster afsluipt. Zeven paar ontroerde ogen kijken toe, voelen mee en maken van binnen hun eigen tocht langs oude ervaringen.

Mensen die in de problemen komen met het vinden van hun plek, hebben vaak het idee dat ze moeten leren plek in te nemen. Dat klopt ook wel. Maar om een plek in te nemen, moet je ‘m eerst aannemen. Aannemen dat er een plek voor je is. 
Wanneer we veel ervaringen hebben waarin die plek er niet leek te zijn, is het vaak een enorme klus om later in het leven nog te geloven dat er een plek voor je is. Dan is de zijlijn een stuk vertrouwder en veiliger. 
Of we doen er alles aan om een plek in te nemen, zonder ‘m aan te nemen. Dan proberen we een plek te veroveren door herrie te schoppen, door te winnen, door de ander af te bluffen met kennis, of status, of macht. Door te klagen, te claimen of te dramatiseren. Of door veel meer te geven dan we hebben. Veroveren is niet aannemen. Een plek die op die manier veroverd is, voedt niet. En bovendien moet je dan je hele leven blijven vechten voor je plek. Dat is op z’n minst dodelijk vermoeiend en vaak ook eenzaam. 

Velen van ons moeten opnieuw leren kijken. Opnieuw leren zien wat er in het hier en nu werkelijk is. Opnieuw leren vertrouwen. Opnieuw liefde (in welke vorm dan ook) leren aannemen. Als je echt opnieuw leert kijken, dan ga je ook andere dingen zien. Als je andere dingen ziet, ga je ook andere dingen doen. En als je andere dingen doet, krijg je ook andere reacties.

Dat betekent natuurlijk niet dat de wereld ineens een sprookje wordt met alleen maar goedwillende prinsen en prinsessen om je heen. Een leven zonder afwijzing, teleurstelling en verlies bestaat niet. Maar je kan wel leren om ook daar met nieuwe, volwassen ogen naar te kijken. Dat volwassen perspectief brengt een stuk meer handelingsvrijheid met zich mee. En het helpt je te voorkomen dat je bij iedere spannende gelegenheid waarin anderen betrokken zijn, van binnen weer op het schoolplein tegenover de pestkoppen komt te staan, zoals deze man. 

Hij staat tussen zijn mededeelnemers in. En hij kijkt rond. Hij huilt en grijnst tegelijkertijd van oor tot oor. “Hier kan ik wel even blijven”, zegt hij. “We hebben nog tot half zes”, grap ik.

Een interventie als deze betekent natuurlijk niet dat hij nooit meer in zijn overlevingsmechanismen zal schieten. En dat hoeft ook niet. Die overlevingsmechanismen hebben hem gezond gehouden, ook al draagt hij een reeks aan pijnlijke vormende ervaringen met zich mee. Dus het is maar goed dat die overlevingsmechanismen er zijn. Wel kon hij hier iets herkansen. Iets dat ooit niet kon. Iets waarvan hij vergeten was dat het mogelijk was. En ik ben ervan overtuigd dat zijn lijf die ervaring onthoudt. Zijn hoofd ook, maar het hoofd is nou eenmaal vergeetachtiger dan het lijf.

Een waardevolle vraag om jezelf eens te stellen: waarin zou jij willen herkansen?

*Alle blogs/artikelen zijn geschreven en gepubliceerd met toestemming van de cliënt/deelnemer

Waar loop je tegenaan?

Deel het met ons, verhelder je vraagstuk en onderzoek wat een passende vervolgstap is. Dat doen we met liefde. En kosteloos.  

Wil je ook stappen zetten in je leiderschap of persoonlijke ontwikkeling? Bekijk dan ons aanbod.

Geen blogs missen?

Deze website maakt gebruikt van cookies. Lees er hier meer over.