Waarom sommige mensen zo afwezig zijn

Over vertrekken naar je hoofd en niet meer voelen

Ik ontmoet haar tijdens de Masterclass Persoonlijk Leiderschap. Ze zit stil in de kring. Om haar heen hangt steeds een soort serene rust. Wanneer ik haar een vraag stel is het vaak eerst lang stil. Sommige deelnemers om haar heen lijken wat ongemakkelijk te worden van de stiltes. Ze beginnen wat te draaien op hun stoelen, of ze kijken vragend naar Roos -mijn collega-trainer- en mij.

Zij niet. Ze richt haar ogen wat omhoog, zoekt in de lucht naar een antwoord en lijkt volkomen comfortabel met de stiltes die er vallen. Tijdens de eerste twee dagen is haar antwoord, ook na een lange stilte, heel vaak: “ik zou het niet weten.”

Wanneer een andere deelnemer geraakt is en zijn of haar ervaringen deelt na een oefening en ik haar vraag hoe de oefening voor haar was zegt ze: “Ik voel niet zoveel.” Bij momenten word ik daar onzeker van. Dat ze niet zoveel voelt, zou een waardevolle ontdekking kunnen zijn, die uitnodigt om te gaan onderzoeken waar dat vandaan komt. Maar soms vraag ik me ook af of “ik voel niet zoveel” misschien codetaal is voor: “ik heb niks aan deze oefening”.

Ze is fysiek aanwezig in de groep, maar haar aanwezigheid is nauwelijks voelbaar. De dag zou zo voorbij kunnen gaan zonder haar werkelijk op te merken. Ze is er, maar ze is ook heel ver weg. Het kost me moeite om niet mijn trucendoos open te trekken om haar erbij te gaan halen.

“Ben je er nog?”, vraag ik. Ik klink veel kattiger dan ik had gewild.

Tijdens de tweede dag wint mijn ongeduld het. Ik word ongedurig van haar starende blik en opgetrokken wenkbrauwen. “Ben je er nog?”, vraag ik. Ik klink veel kattiger dan ik had gewild. Ze trekt haar wenkbrauwen nog wat verder op en zegt: “Ja, ik ben er nog.” Ze klinkt een tikkeltje beledigd. “Je lijkt zo ver weg”, zeg ik, iets zachter nu. “Dat hoor ik wel vaker”, zegt ze. “Waar ga je dan naar toe?” vraag ik. “Naar mijn hoofd denk ik” antwoordt ze. Iets in me zegt me dat ze met dat antwoord maar een deel van het verhaal vertelt, maar ik besluit het nog even te laten. Tot mijn spijt moet ik wel constateren dat mijn poging haar naar hier te roepen, ertoe heeft geleid dat ze de rest van de dag nog wat verder weg is.

Roos doet nog een oefening met haar over voelen. Maar hoe ze ook aanklopt, alle deuren blijven dicht. Ze haalt haar schouders op, blijft verbaasd kijken en antwoordt op bijna iedere vraag dat ze het niet weet. Het lijkt erop dat ze niets aan de oefening heeft gehad.

Aan het einde van de tweede dag vragen we de deelnemers om in één zin iets te zeggen over wat ze meenemen. Wanneer zij het woord neemt zegt ze: “ik ga onderzoeken hoe ik wat eerlijker naar mezelf kan worden over wat er van binnen gebeurt.” Ik ben verrast. Nog meer verrast ben ik wanneer ze ons bij het afscheid vertelt dat ze heel veel heeft gehad aan deze twee dagen. “En vooral aan die oefening over voelen”.

“Wat deed jij als klein meisje, als je verdrietig was?” vraag ik haar. “Dan trok ik me terug”, zegt ze en ze glimlacht.

Op dag drie starten we de dag met de vraag naar een voor de deelnemers vormende ervaring in hun leven. Zij neemt als één-na-laatste de beurt. Ze vertelt kort dat haar vader een ernstig ongeluk kreeg toen ze twee was en dat hij daardoor in een coma raakte. Hij bleef zes jaar lang in comateuze toestand tot hij overleed, toen zij acht jaar oud was. “Ik ken hem alleen maar stil en liggend in een ziekenhuisbed”, zegt ze. “En kan me rationeel wel bedenken dat dat impact heeft gehad, maar ik voel het niet zo.” Ik knik. Nu ze dit vertelt begrijp ik wat beter waarom de stilte, die voor anderen zo ongemakkelijk kan zijn, haar zo vertrouwd is.

Ze vertelt hoe ze van haar moeder, die hard moest werken om het familiebedrijf draaiende te houden heeft geleerd dat je “toch gewoon door moet” wanneer er iets verdrietigs gebeurt. “Wat deed jij als klein meisje, als je verdrietig was?” vraag ik haar. “Dan trok ik me terug”, zegt ze en ze glimlacht. “Soms doen kinderen dat, als ze zien dat er al genoeg ellende is”, zeg ik. “Was dat voor jou ook zo?” Ze is opnieuw stil en zegt dan: “misschien.”

“Zou ik ook kunnen zeggen dat je iets hebt met de hemel?” vraag ik haar voorzichtig.

Voor de vierde en laatste dag vragen we de deelnemers iets mee te nemen dat hun leervraag symboliseert. Van daaruit werken we nog met iedere deelnemer. Zij heeft een collage van prachtige foto’s van de lucht meegenomen. Foto’s van roze, blauwe en goudgele luchten. “Zelf gemaakt” zegt ze zacht. “Ik heb iets met de lucht.”

Ik vraag haar naast me te komen staan en neem even de tijd om mijn eigen voeten stevig op de grond te voelen staan. En ik vraag haar om hetzelfde te doen. Ik pak haar koude hand vast, om haar te helpen om “hier” te blijven. Ik zoek haar ogen en ik vind een heldere blik. Minder glazig dan gisteren. “Je hebt iets met de lucht”, zeg ik. Ze knikt. Ik adem diep in, omdat ik het spannend vind om de volgende stap met haar te zetten. Als ik te hard aan haar trek, dan vliegt ze weg en is het nog maar de vraag of ze weer terugkomt.

“Zou ik ook kunnen zeggen dat je iets hebt met de hemel?” vraag ik haar voorzichtig. Ze kijkt naar me, richt haar blik weer even omhoog en kijkt me dan opnieuw aan. Er glanzen tranen in haar ogen. “Ja”, zegt ze, zonder vertwijfeling. “Wat ontroert je nu?” vraag ik. “Dat het klopt”, zegt ze. “Momentje”, zeg ik. En ik loop naar een mannelijke deelnemer toe, pak hem bij de hand en zet hem achterin de trainingsruimte neer. Ze kijkt naar hem. De spieren in haar gezicht ontspannen en haar blik heeft haast iets van een verliefdheid.

“Je hebt iets met de hemel en je kan heel goed vertrekken”, zeg ik. Ze knikt. “Waar ga je dan naar toe?” vraag ik. “Daarnaartoe” zegt ze, terwijl ze met haar hoofd in de richting van de man achterin de ruimte knikt. “Naar je vader”, zeg ik. Ze knikt weer en kijkt met een scheefgebogen hoofd en een liefdevolle glimlach naar de man die daar staat. “Volgens mij zou je wel uren zo kunnen blijven staan en kijken”, zeg ik. “Ja”, zegt ze met een zucht.

“Keer terug”

“Wat zou je erbij kunnen leren, als je heel goed bent in vertrekken?”, vraag ik. Ze haalt haar schouders op. “Nu ben je ook weer vertrokken hè?”, zeg ik. Ze knikt, zonder me aan te kijken. Ik loop naar mijn collega Roos toe en vraag haar of ze haar armbandje even af wil doen. Een klein gouden armbandje met een glimmend rondje eraan. Ik liet er een tekst in graveren en gaf het haar een paar maanden geleden voor haar verjaardag. Roos geeft me het armbandje, ik loop terug en ik doe het om haar pols. Ze kijkt ernaar. Er staat in hele kleine lettertjes “Keer terug”, in gegraveerd. “Keer terug”, zegt ze hardop en ze lacht. “Niet omdat je niet meer mag vertrekken naar je hoofd, of naar de hemel, maar wel omdat het het onderzoeken waard is om te kijken hoe het hier op aarde is, hier bij ons”, zeg ik met een grijns.

“Leren terugkeren is misschien niet zo’n heel concrete opdracht”, zeg ik hardop denkend. “Ik weet precies waar je het over hebt hoor”, zegt ze. En ik zie in haar ogen dat ze het meent.

Voor veel mensen is vertrekken een thema. Misschien herken je het dat je met enige regelmaat van de mensen om je heen de vraag krijgt of je er wel helemaal bij bent. Je droomt regelmatig weg naar een zelf gecreëerde wereld. Je weet goed wat het is om fysiek aanwezig te zijn, maar eigenlijk geen contact (meer) te hebben. Je vindt het moeilijk om je eigen lichaam “waar te nemen” en hebt soms het idee dat je niks voelt. Of je kan ineens heel ver weg zijn, als het spannend wordt of als je ergens van geschrokken bent en je vindt het dan lastig om weer “terug te komen”.

Het vermogen om te vertrekken heeft je ook wat te bieden. Wie in staat is om op afstand te zijn, kan meestal goed observeren en ziet vaak veel. En in het hoofd ontstaan de prachtigste beelden of ideeën of de slimste oplossingen. Vaak hebben mensen die dit thema goed kennen ook een sterke verbinding met “het grotere”. Ze houden zich bezig met grote levensthema’s en voelen zich aangetrokken tot wetenschap, kunst, filosofie, religie of spiritualiteit. En al het “aardse” voelt dan soms maar oppervlakkig, nietszeggend of zelfs banaal.

Wanneer je dit herkent kan het zijn dat je welkom voelen lastig voor je is, waardoor je veel afwezig bent. Dat je niet vanzelfsprekend bestaansrecht ervaart. Of dat je net zoals de vrouw in dit verhaal al jong één of meerdere belangrijke personen verloren hebt en dat je onbewust een soort verbinding ervaart met de dood, die op de één of andere manier vertrouwder voelt dan het leven. Wat overigens niet wil zeggen dat je steeds maar aan de dood denkt. Eerder dat vol in het leven staan, je lichaam goed bewonen en denken en voelen met elkaar verbinden lastig voor je is.
Dan kan het mooi zijn om te leren op te merken wanneer en hoe je vertrekt en misschien zelfs wel waarnaartoe. Wanneer je kan gaan zien hoe je vertrekt en wat er dan in je lijf gebeurt, kan je op den duur ook leren hoe je jezelf weer uit kan nodigen om terug te komen.

*Al mijn artikelen/blogs zijn geplaatst met toestemming van de hoofdpersoon.

Wil je ook stappen zetten in je leiderschap of persoonlijke ontwikkeling? Bekijk dan ons aanbod.

Deel deze pagina

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on whatsapp

Geen blogs missen?

Deze website maakt gebruikt van cookies. Lees er hier meer over.