Hoe we soms afwijzing verkiezen boven liefde

Ik ontmoette haar ruim een jaar geleden, in een leiderschapsprogramma dat ze samen met haar collega’s volgde. In de pauze vertrouwde ze me toe dat haar contract niet verlengd werd. “En ze vertellen me niet waarom.” Haar ogen spuwden vuur. 

Aangeraakt door wat er in die training voorbij kwam, overweegt ze een jaar later deel te nemen aan de Masterclass Persoonlijk Leiderschap. Voorafgaand daaraan maakt ze een afspraak voor een coachingssessie, waarna ze ook wil onderzoeken ‘of die training zou kunnen helpen’.

Naast het feit dat ze doorgaans goed functioneert, lopen afwijzing en teleurstelling in anderen als een rode draad door haar leven. Ze werd als klein meisje behoorlijk fel afgewezen door haar vader als ze met haar binnenwereld naar buiten kwam. Op zowel de basisschool als de middelbare school werd ze fors gepest. Toen ze in haar studententijd eindelijk het gevoel had vrienden te hebben gemaakt, verdwenen die snel uit beeld toen de studies waren afgerond en kreeg ze het deksel op haar neus als ze een poging deed het contact te behouden. En vorig jaar werd haar contract niet verlengd, omdat medewerkers moeite hadden met haar uitstraling, zo vertelden ze haar uiteindelijk bij haar exit-gesprek.

Ik doe een aantal pogingen om met haar uit te zoeken wat haar aandeel is in wat er steeds gebeurt. Maar ik kom nog niet erg ver. Ze vertelt veel, dat wel. Boze verhalen over onrecht. Omdat ik me realiseer dat veel van die verhalen voor het eerst verteld worden en dat op zichzelf al vooruitgang is, laat ik het een tijd gaan. Ik luister en benoem zo nu en dan de boosheid en het verdriet die ik in haar verhalen hoor. “Tja”, zegt ze dan.

Na een tijdje word ik wat onrustig. Ik krijg het gevoel dat ze meer een soort advocaat zoekt dan een coach. Het lijkt bijna alsof ze hoopt dat ik na het aanhoren van haar verhalen, samen met haar ten strijde zal trekken tegen de mensheid. En dat ik haar gelijk voor haar zal gaan verdedigen. En ik word een beetje onzeker, omdat het me maar matig lukt om deze dynamiek te keren. Iedere interventie die ik doe, beantwoordt ze consequent met een “ja, maar…”.

“Nou, denk je dat het gaat helpen, die training?”

Ik neig er even naar het op te geven om hier nog doorheen te willen breken en ik word wat stiller. Dat merkt ze waarschijnlijk en ze zegt: “Nou, denk je dat het gaat helpen, die training?”

Dat voelt in deze context bijna als een gewetensvraag. Want heel eerlijk gezegd weet ik het niet. Niet zeker in ieder geval. Ze zet wel stappen, maar ik ben tot nog toe niet erg succesvol in het aanboren van haar bereidheid om werkelijk naar zichzelf te kijken.

Even gaat er door mijn hoofd om haar te zeggen dat de training misschien wat te vroeg komt. Maar iets eerlijker is dat ik zelf gewoon een beetje bang van haar word. Bang voor mijn eigen falen. En bang voor haar afwijzing.

“Of de Masterclass je gaat helpen weet ik niet”, zeg ik. “Maar één ding weet ik wel vrij zeker.” Ze kijkt me verwachtingsvol aan. “Dat er in de training een punt gaat komen waarop jij teleurgesteld gaat raken in mij, mijn collega trainer, of in je mede-deelnemers.”

Ze fronst haar wenkbrauwen. “En dat vind ik wel een beetje spannend”, zeg ik. “Maar als jij bereid bent om je op dat moment te laten horen, dan kunnen we ermee werken. Dus eigenlijk zou het mooi zijn als dat gebeurt, want ik werk het liefst met je met wat zich in het hier en nu herhaalt uit je geschiedenis, in plaats van enkel met je naar je geschiedenis te kijken.” Dat laatste meen ik echt, al protesteert mijn bange hart nog wel een beetje.

“Dus ik geef je geen garantie dat het helpt. Wel de garantie dat je welkom bent met alles wat je tegenkomt.”

 Ondanks het gebrek aan garantie op resultaat besluit ze om deel te nemen.

In de kennismakingsronde neemt ze als een van de laatsten het woord. Ze krijgt vaak van anderen terug dat ze haar uitstraling zo heftig vinden en ze begrijpt niet waarom, vertelt ze. “Iedereen die mij goed kent weet dat ik een heel groot hart heb. Maar als mensen niet bereid zijn om verder te kijken dan hun neus lang is, dan houdt het op”, voegt ze er verbeten aan toe.”

Ze is vrij lang aan het woord en maakt veel grapjes met subtiele sneren erin, waar ze zelf hard om lacht. “Dus ik wil wel graag weten wat ik in vredesnaam verkeerd doe. Maar er zat garantie op deze training toch?” Ze kijkt me uitdagend aan en lacht opnieuw. De groep is stil en lacht niet mee. Ook nu krijgt ze niet het warme welkom waar ze vermoedelijk op hoopte.

Als je veel onveiligheid en niet welkom zijn gewend bent, dan voelt onveiligheid veiliger dan welkom zijn.

We zoeken met haar die eerste twee dagen. Ze neemt nog weinig aan van wat we haar aanbieden. En als we haar iets teruggeven over hoe ze steeds de strijd aangaat, antwoordt ze met een “ja, maar”. De grootste winst is nog dat ze zo nu en dan een vraag beantwoordt met “ik ga er eens over nadenken”.

Ik voel me bij tijd en wijle uitgedaagd om op haar uitnodigingen tot strijd in te gaan. Het lukt me om daar uit te blijven, al vind ik dat niet gemakkelijk. Ze wijst af, in een poging te voorkomen dat zij als eerste afgewezen wordt. Maar ze oogst daarmee niet het welkom dat ze zoekt. En dat is precies wat ze kent. En ondanks dat het pijnlijk is, het is in ieder geval vertrouwd.

Als je veel onveiligheid en niet welkom zijn gewend bent, dan voelt onveiligheid veiliger dan welkom zijn. Ervaren dat ze werkelijk welkom is, is vermoedelijk zo nieuw voor haar, dat ze het niet of nauwelijks kan geloven en ook niet goed weet wat ze ermee moet.

De eerste -en mogelijk belangrijkste- nieuwe ervaring die we haar op dit moment kunnen bieden, is om haar welkom te blijven heten, ook met haar continue pogingen om de strijd aan te gaan. Maar dat vraagt wel dat ik kan verduren dat ik regelmatig met lege handen sta. En dat ik met mijn eigen behoefte aan liefde op andere plekken aanklop. Bij mijn collega trainer, bij mijn man, bij mijn vrienden. Zodat ik niet afhankelijk word van haar goedkeuring. “Bouw een nest en wacht tot de vogel erin vliegt”, leerde ik van mijn supervisor over dit soort situaties. En ik kan alleen een warm nest voor haar bouwen, als ik zelf elders ook in een warm nest terecht kan.

Nadat we de tweede dag hebben afgerond blijven er nog twee deelnemers achter in de zaal. Zij is er één van. Ik praat nog even na met de andere deelnemer. Mijn collega trainer is met haar in gesprek.

Na afloop hoor ik wat de strekking was van haar verhaal. Ze had er tot nog toe weinig aan gehad. Voor de enige oefening waar ze wel wat aan had was te weinig tijd. En ze had het gevoel dat ze buiten de groep viel. Wanneer er vanwege het oneven aantal deelnemers tweetallen en één drietal gevormd moesten worden, zat zij steeds in het drietal, omdat ze altijd als laatste overbleef. En ze had nog altijd geen antwoord gevonden op haar vraag wat ze dan verkeerd deed in contact met anderen. Er waren deelnemers geweest die haar hadden gezegd dat ze haar nogal spannend vonden in het begin. En daar begreep ze helemaal niks van, want ze was toch heel open en kwetsbaar geweest, in de kennismakingsronde al. Mijn collega stelde haar voor om hier tijdens de volgende trainingsdagen opnieuw mee te komen. Daar zou ze over nadenken, had ze gezegd.

Over drie weken staan de volgende twee dagen gepland. We overleggen wat we zullen doen. Een paar jaar geleden had ik zeker een pleidooi gedaan om tussen de trainingsdagen door contact met haar te zoeken. Vooral om zelf gerustgesteld te worden. Maar ik begin er iets beter in te worden om ook te kunnen laten. En steeds vaker zie ik ook de waarde daarvan. “Laat maar even sudderen”, besluiten we.

We hebben de deelnemers gevraagd om ons een mail te sturen waarin ze iets terugkoppelen van wat ze geraakt heeft tijdens de eerste twee dagen en naar welke leervraag ze tijdens de volgende twee dagen willen kijken.

Zij schrijft een prachtige mail. Met een heel andere toon dan ik na de eerste twee dagen had verwacht. Een hoopvolle mail ook, waarin ze schrijft over waar ze zo naar verlangt in het contact met anderen. En waarin ze beschrijft hoe ze heeft geoefend met het terugvinden van haar speelsheid, met het benoemen van haar angst en met zichzelf opnieuw toe te vertrouwen aan anderen, wanneer ze merkt dat ze op haar hoede is.

Daar waar ze in de blessuretijd van de training naar ons toe kwam vanuit de klacht, doet ze dat nu vanuit haar verlangen. “Ik zou er zo graag bij horen” in plaats van “Ik ben niet welkom”. Een nogal wezenlijk verschil. En behoorlijk bepalend voor hoe je de wereld tegemoet treedt.

Omdat we vaak zo bang zijn om afgewezen te worden, durven we niet meer met onze verlangens te komen. We slikken het verlangen in en in plaats daarvan komen we met een klacht. Niet zelden eentje waarmee we de ander direct of indirect afwijzen, om te voorkomen dat we zelf afgewezen worden. Waarmee we weer een nieuwe ervaring creëren, waarin we opnieuw niet krijgen waar we zo naar verlangen. En zo is het in een volgende situatie nog iets moeilijker om vol te komen met verlangen. Het is overigens geen toeval dat ik dit weet. It takes one to know one.

Ik ben ontroerd door haar mail en beantwoord die met warme woorden. Woorden die ik van harte meen.

Wanneer we de derde dag openen en de groep vragen of er nog iemand is die iets wil vragen of delen voordat we beginnen, neemt zij het woord. Ze bedankt me voor mijn mail en schiet meteen vol. “Nou, daar ga ik alweer”, zegt ze hoofdschuddend. “Wat heeft je zo geraakt in mijn mail?” vraag ik haar. Ze haalt haar schouders op. Ik wacht. “Ik denk de liefde”, zegt ze, terwijl de tranen over haar wangen lopen.

Stap voor stap doet ze nieuwe ervaringen op rondom contact maken, anderen toelaten en ontdekt ze wat ze doet als ze bang wordt om afgewezen te worden. Beetje bij beetje leert ze om met haar verlangen naar verbinding op anderen af te stappen, in plaats van dat te verstoppen en haar stekels op te zetten.

Het is geen proces met een ononderbroken stijgende lijn en een Disney-einde. Het is een grillige weg die ze loopt, met vallen en opstaan. Op de middag van de derde dag komt Robin van Soolingen om een boksclinic te geven. Hij kan als geen ander vertalen wat het lijf vertelt over de primaire beweging die deelnemers laten zien in het contact met anderen. Na afloop delen de deelnemers wat ze ontdekt en geleerd hebben. “Ik voel hier niks bij”, zegt ze. “Dat kan ik me wel voorstellen”, zegt Robin. “Als ik met jou boks, als ik bij je aanklop, dan doe je niet open. Ik zie wel dat er iemand thuis is, want het licht brandt, maar er wordt niet opengedaan.” Het is doodstil in de groep. “Nou ja!”, zegt ze, met een woedende blik. “Wat moet ik daar nou weer mee?”. “Het binnenlaten”, zegt Robin, met zachte ogen.

Tijdens de laatste dag vragen we deelnemers een symbool mee te nemen voor hun leervraag, waarna we met iedere deelnemer nog een stap zetten. Onder haar stoel ligt een schoen. Als ze het woord neemt vertelt ze dat ze de hele nacht wakker heeft gelegen. Haar stem is zacht en ze vertelt veel rustiger dan voorheen. “Ik heb de hele nacht aan mijn vader gedacht. En aan hoe vaak ik op zijn deur heb geklopt, zonder dat er antwoord kwam. En ik snap nu dat ik het net zo doe als hij.”

Ondanks dat ze huilt en dat het pijnlijk is wat ze vertelt, klinkt er toch opluchting door in haar woorden. Ze pakt de schoen die onder haar stoel ligt. “Deze staat symbool voor een voet tussen de deur. Deze ga ik meer gebruiken. Om ervoor te zorgen dat ik de deur openhoud. Ik dacht dat niemand me moest, maar ik geloof dat ik nog banger ben voor liefde dan voor afwijzing.”

Soms is welkom zijn en liefde ontvangen (in de breedste betekenis van het woord) een heel stuk spannender dan je afgewezen of gekwetst voelen.

Natuurlijk overkomen ons regelmatig dingen waar we echt geen invloed op hebben. Dan kan je enkel zoeken naar hoe je daar op de best mogelijke manier antwoord op kan geven.

Maar je merkt dat er een herhaling zit in dat wat je overkomt en je vraagt je af waarom dit je nou alwéér gebeurt, dan is het zinvol om te onderzoeken wat jouw aandeel is.

Leuk is dat meestal niet. Ergens lijkt het soms prettiger om de wereld als een oneerlijke plek te bestempelen, dan om te gaan zien wat je daar zelf in doet. We creëren een realiteit die we snappen. Zelfs als dat een pijnlijke realiteit is. Een bekende ervaring verkiezen we, vaak onbewust, boven een nieuwe ervaring.

Als je als kind hebt ervaren dat de wereld een oneerlijke plek is, dat mensen niet te vertrouwen zijn, of dat je het deksel op je neus krijgt als je je laat zien, dan ontstaat er verwarring op het moment dat je geconfronteerd wordt met een situatie die je het tegendeel laat zien. En dan zorgen we ervoor dat we die ervaring zo duiden dat we de wereld weer kunnen snappen. We projecteren dan onze gevoelens van onveiligheid op de ander via onze eigen achterdocht.

 Op het moment dat je dat van jezelf kan zien en dat je dus je eigen aandeel kan zien, ontstaat er een opening om het anders te doen dan je altijd deed, met een grote kans op een andere uitkomst. Die uitkomst is niet per definitie minder spannend. Soms is welkom zijn en liefde ontvangen (in de breedste betekenis van het woord) een heel stuk spannender dan je afgewezen of gekwetst voelen.

*Al mijn artikelen zijn geplaatst met toestemming van de hoofdpersoon. Namen zijn gefingeerd.

Wil je ook stappen zetten in je leiderschap of persoonlijke ontwikkeling? Bekijk dan ons aanbod.

Deel deze pagina

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on whatsapp

Geen blogs missen?

Deze website maakt gebruikt van cookies. Lees er hier meer over.