Hoe we onze persoonlijke geschiedenis meenemen naar ons werk

Een onmogelijk figuur

Het intakegesprek dat ik met hem voer is vrij kort. Je zou haast denken dat hij er geen zin in heeft. Terwijl hij zich toch uit eigen beweging heeft aangemeld om deel te nemen aan de Masterclass Persoonlijk Leiderschap.

Hij steekt meteen van wal. Hij geeft leiding aan een vrij groot team bij een grote bank. En dat loopt uitstekend. “Volop delivery”, vertelt hij. “Maar als ik gestresst ben, dan word ik te boos. Dan word ik heel kortaf en dan wil ik de andere partij nog weleens belachelijk maken.”

Ik vertel hem dat ik in deze training ook met hem zal gaan onderzoeken hoe dat wat hij tegenkomt in het hier en nu, een link heeft met ervaringen uit het verleden. “Dus ik ben benieuwd of dit ook een oud thema voor je is”, zeg ik. 

Zijn antwoord komt snel. “Niet dat ik weet. Ik heb een redelijk nette jeugd gehad.”

Het is even stil tussen ons. “Mijn moeder kon wel exploderen”, zegt hij dan.

“Maar als ik gestresst ben, dan word ik te boos. Dan word ik heel kortaf en dan wil ik de andere partij nog weleens belachelijk maken.”

Het lijkt erop dat mijn vragen over zijn geschiedenis hem een klein beetje van zijn stuk hebben gebracht. “Wat vind je ervan dat ik je dit soort vragen stel?” vraag ik hem. “Ik heb niks met therapie”, is zijn antwoord.

Ik besluit hem een klein beetje uit te dagen. “Dan ga je het heel erg zwaar met me krijgen”, zeg ik. Hij moet lachen. “Als je naar deze training komt, dan ga ik met je kijken naar waar de oorsprong hiervan ligt. Als je dat niet wil, dan kan je beter op zoek naar een ander soort training. Er zijn natuurlijk meerdere wegen naar Rome. Maar dit is wel de mijne.” “Mmm…” zegt hij. “Denk er maar even over na”, zeg ik.

Drie dagen later ontvang ik een mailtje waarin hij -toch een beetje tot mijn verbazing- aangeeft zich in te willen schrijven.

Bij de start van de eerste dag leggen we, nadat we de trainingsdag hebben geopend, een model uit dat verschillende lagen waarop je naar ontwikkeling kan kijken weergeeft. Dit biedt deelnemers die behoefte hebben aan wat meer theoretisch kader, wat helderheid over waarom we soms een laag dieper doorvragen, dan de laag waarop ze een vraag stellen.

In de kennismakingsronde zijn sommige deelnemers meteen geraakt wanneer ze vertellen. Vanuit mijn ooghoeken kijk ik naar hem. Hij zit met zijn armen over elkaar en hij beweegt zijn hoofd naar achteren op het moment dat er bij een andere deelnemer tranen vloeien. Hij neemt als laatste het woord. De spieren in zijn gezicht verstrakken.

“Ik zou nu het liefst zeggen dat ik een model ken dat precies het tegenovergestelde beweert, van wat jullie net beweerden. Maar dat zal ik maar niet doen” zegt hij. “En toen deed je het toch”, zeg ik. “Eh ja, hahaha!” “Nou ja, ik krijg dus veel conflicten met mensen en ik begrijp niet zo goed waarom”, zegt hij. “Vooral een mede MT lid, iemand van IT. Die werkt nogal als een rode lap op mij” zeg hij en er volgt een bulderlach. “En het leek me wel goed om dat om eens te onderzoeken.”

Ik voel een mengeling van spanning en strijdlust bij hoe hij dit doet. “Misschien heb je zojuist al wel een eerste deel van een antwoord gegeven op die vraag,” zeg ik. “Ik voel me in ieder geval wel een beetje uitgenodigd tot strijd. En ik word ook een beetje bang voor je.”

“Oh?”, zegt hij vol onschuld in zijn stem. “Ben jij weleens bang?”, vraag ik. “Nee, nooit”, zegt hij. “En dat is precies waarom ik een beetje bang word van jou”, zeg ik. “Nou, dat herken ik wel”, zegt een andere deelnemer. “Ik zou me niet zo snel openstellen naar jou.” “Ik ook niet”, vervolgt een ander.

Ik zie dat hij schrikt. En ik heb ook wel even met hem te doen. Hij krijgt het wel direct voor zijn kiezen, nog voor de eerste koffiepauze. Toch vermoed ik dat de schrik en de verwarring die er nu bij hem ontstaan, uiteindelijk een vruchtbare bodem bieden om de antwoorden te vinden die hij zoekt.

“Ben jij weleens bang?”, vraag ik. “Nee, nooit”, zegt hij. “En dat is precies waarom ik een beetje bang word van jou”, zeg ik.

In de dagen die volgen ontdek ik dat ik een toegangskaartje krijg, als ik hem verras en een beetje uitdaag en het vooral niet te zoet maak. De stap die er gezet moet worden gaat over zachtheid. En de kunst is om steeds te zien wat er wanneer nodig is. Als ik er te snel te zacht in ga, dan voedt dat zijn achterdocht en dan raak ik hem kwijt. Als ik hem allen maar keihard aanpak, dan leert hij niks over zachtheid.

Aan het begin van de lunchpauze blijft hij zitten. Hij is aangedaan door de feedback die hij van zijn mededeelnemers heeft gekregen. “Hoe heb je geleerd om zo goed van je af te bijten?” vraag ik. “Ik zou het niet weten”, zegt hij meteen.

Het antwoord komt me net iets te snel om hem helemaal te geloven. Natuurlijk kan het zo zijn dat hij het echt niet weet. Maar de snelheid van zijn reactie laat ook zien dat hij niet echt zoekt naar een antwoord.

“Eerst proeven, dan pas uitspugen”, zeg ik. Hij fronst zijn wenkbrauwen. “Eerst mijn vraag proeven en pas uitspugen als je er niks echt niks mee kan. Nu spuug je uit zonder geproefd te hebben.” Hij glimlacht.

“Hoe heb je geleerd om zo goed van je af te bijten?”, vraag ik opnieuw. Zijn gezicht verstrakt wat, hij draait zijn hoofd weg en blaast een zucht uit door zijn neus. “Ik moest wel”, zegt hij dan. Dan volgt een geheimzinnige en zo te zien ook wat cynische glimlach. Ik wacht. “Mijn moeder was niet bepaald zachtzinnig.” Ik knik. “Die kon echt totaal doordraaien”, zegt hij dan. En hij lacht erbij alsof het de clou van een mop is. Daarna is hij stil en ik ook. “Ja sorry dat ik het zeg hoor, maar mijn moeder is echt een gestoord wijf.”

“Wat zal je bang geweest zijn”, zeg ik. “Nou, dat kan ik me niet herinneren hoor”, zegt hij. Ik heb spijt van mijn poging. Het was een tikkeltje overmoedig van me om meteen naar zijn angst te gaan. En misschien zelfs wel niet helemaal eerlijk. Als hij contact maakt met zijn angst, dan hoef ik zelf een beetje minder bang voor hem te zijn. En daarnaast sla ik ook nog eens de dikke laag boosheid over, die over zijn angst heen ligt. Een paar jaar geleden had ik bij zo’n misser van schrik mijn pogingen gestaakt. Inmiddels weet ik gelukkig dat ik meestal nog wel een nieuwe kans krijg, mits ik in staat ben om mijn eigen angst nog even te verduren.

“En je bent ook hartstikke pissig”, zeg ik. Hij lacht. “Nee hoor, het kan me niet zoveel meer schelen”, zegt hij, terwijl hij zijn kin naar achteren beweegt. Even twijfel ik na mijn vorige mislukte poging of ik hem hiermee weg zal laten komen, maar ik besluit er toch opnieuw voor te gaan. “Je liegt dat je barst”, zeg ik. Hij kijkt me uitdagend aan. “Ja, oké, ik ben wel een beetje boos ja.”

Ik buig naar hem toe. Hij houdt zijn adem in. Ik beweeg langzaam mijn hand richting zijn gezicht en ik beweeg zacht met mijn duim over zijn wang. Zijn hele lijf verstrakt. Ik voel mijn hart in mijn keel kloppen. Hij heeft zich zojuist voorzichtig aan me toevertrouwd en als ik mis zit met deze interventie, of als hij dit niet pikt, dan loop ik het risico hem voorlopig weer helemaal kwijt te zijn.

“Misschien ben je wel een beetje vergeten hoezeer je dit ooit gemist hebt” zeg ik. Hij drukt zijn kaken hard op elkaar en hij kijkt me strak aan. Ik hou mijn hand nog even op zijn wang en laat dan langzaam los. “Misschien wel ja”, zegt hij zacht.

“Toen ik twee was kreeg mijn moeder nog een kind. Een meisje. Ze is doodgeboren. Ik kan me daar niks van herinneren natuurlijk”, zegt hij. “Maar ik denk wel dat dat voor haar heel heftig geweest moet zijn.” “Dat denk ik ook”, zeg ik.

In de dagen die volgen worstelt hij nog een aantal keer flink met zijn patronen rondom strijd, boosheid en angst. Wanneer we Laura, een andere deelnemer behoorlijk stevig aanpakken in de feedbackronde na de boxclinic, wordt hij woest en zet hij de aanval in. “Dat mogen jullie niet zo doen!” Zijn ogen vlammen. “Ben je geschrokken?” vraag ik. “Nee, ik ben kwaad”, antwoord hij. “Ik wel”, zeg ik. “Ik schrik van je.” Zijn ogen worden wat zachter. Het is een tijd stil en ik moet mijn best doen om te blijven ademen. “Ik ben een beetje bang dat ik de volgende ben”, zegt hij. “Dat snap ik”, zeg ik. “En ik ben bang dat je misschien wel gelijk hebt, dat we er net wat te stevig in gingen met Laura. En dat ga ik nu aan met Laura. Oké?” Hij knikt.

Laura is geraakt en even flink uit het lood geslagen, maar geeft een dag later aan dat er haar veel duidelijk is geworden in de confrontatie die we met haar hadden. Gelukkig is dat meestal zo, al kan ik niet ontkennen dat ik ook opgelucht ben wanneer ze me dit vertelt.

Op de laatste dag is hij de eerste die de trainingsruimte binnen komt lopen. Ik begroet hem en zet nog wat spullen klaar. Hij ijsbeert wat door de ruimte. “Heb je er zin in vandaag?” vraag ik. “Nee, niet bepaald.” “Vertel”, zeg ik. Hij zucht. “Ik ben zo bang dat jullie me aan het janken maken.” “Dat snap ik wel”, zeg ik. “Ik wil graag een deal met je sluiten.” Hij kijkt me afwachtend aan. “Ik beloof je dat ik niet voor je tranen zal gaan. Maar ik beloof ook dat ik je niet zal matsen, want dan doe ik je tekort.” Hij knikt. “Deal”, zegt hij. “Deal”, zeg ik.

We hebben de deelnemers gevraagd om een symbool mee te nemen voor hun leerpad en om nog één vraag in te brengen. Iets dat in de voorafgaande dagen nog niet voldoende aan bod is gekomen, iets waar nog op teruggekomen moet worden, of een volgende stap die nog gezet moet worden.

“Ik beloof je dat ik niet voor je tranen zal gaan. Maar ik beloof ook dat ik je niet zal matsen, want dan doe ik je tekort.”

Als hij aan de beurt is kijkt hij de groep rond. Het valt me op hoeveel meer contact hij maakt dan in de kennismakingsronde. Zijn ogen glimmen, van pret. Hij schuift langzaam de mouw van zijn shirt omhoog. Er verschijnt een tatoeage van een onmogelijke driehoek, zo een die Escher vaak in zijn werk gebruikte. “Een onmogelijk figuur”, zegt hij met een grijns.

“Waar staat het voor jou voor?” vraag ik. “Dat weet ik niet precies. Ik vind dit gewoon heel mooi”, zegt hij. Ik besluit hem niet langer door te zagen over de betekenis hiervan, omdat ik meen te voelen dat het laten zien hiervan om de een of andere reden al spannend genoeg voor hem is. “Wat is je vraag voor vandaag?” “Ik wil graag snappen waarom ik zo woedend word van machteloosheid”, zegt hij. “Goeie vraag”, zeg ik. “Kom eens naast me staan.” Hij staat op en doet wat ik zeg. Ik kijk opzij en zie hoe hij zijn kaken weer op elkaar klemt. “Ik ga niet voor je tranen en ik ga je niet matsen”, zeg ik. Hij knikt.

“Ik wil je een beeld laten zien”, zeg ik. “Kies eens iemand uit de groep die je vader representeert. En geef hem maar een plek in de ruimte. Een plek waar hij gevoelsmatig staat.” Hij loopt naar een mannelijke deelnemer toe en wijst naar de hoek van de ruimte. “Daar”, zegt hij, terwijl hij een meewarige grimas maakt. “Met je gezicht naar de muur. ”De man gaat in de hoek van de ruimte staan. Dan vraag ik hem om een vrouw uit te kiezen die zijn moeder representeert. Hij zet haar middenin de kring neer en kijkt naar de grond.

Ik loop naar een jonge vrouwelijke deelnemer toe en pak haar bij haar hand. Hij kijkt op en zijn ogen gaan heen en weer tussen mij en de vrouw. Hij zucht diep en schudt zijn hoofd. Ik neem de jonge vrouw mee naar de vrouw die zijn moeder representeert en leg haar op de grond neer, ongeveer een meter voor de voeten van de moeder. Zodra ze er ligt draait de moeder een kwartslag richting het meisje op de grond. Hij kijkt even op en beweegt zijn hoofd naar achteren. De weerzin staat op zijn voorhoofd te lezen. “Geen kattenpis is dit hè?”, zeg ik. Hij schudt bevestigend zijn hoofd.

Ik pak zijn hand en leid hem naar de grond en ga naast hem zitten op mijn knieën, voor zijn moeder en zijn zusje. Hij kijkt naar de grond en ik kijk naar hem. De kaakspieren in zijn wangen bewegen op en neer. “Laten we samen kijken”, zeg ik. Hij blijft naar de grond kijken, knijpt dan stevig in mijn hand en kijkt op. Ik volg zijn beweging. Het is lange tijd stil.

“Je wilde graag weten waarom je zo woedend wordt van machteloosheid”, zeg ik. Hij kijkt me aan. “Nou kijk maar daar”, zeg ik en ik knik richting het beeld van de vrouw met het meisje aan haar voeten. “Heel veel machtelozer wordt het niet.”, Hij snuift een stoot lucht uit zijn neus en knikt.

Ik adem diep in en laat het beeld op me inwerken. De vrouw, die haar blik strak op het meisje op de grond houdt en de man naast me. “Een onmogelijke driehoek.” “Godsamme”, zegt hij. “Ja, godsamme”, antwoord ik.

Dan zegt hij zacht: “je vraagt je dan toch af wat voor een zusje het geworden zou zijn.” Hij kijkt nog een tijdje naar de twee vrouwen voor hem en dan zoekt hij mijn blik weer op.

Ik adem diep in en laat het beeld op me inwerken. De vrouw, die haar blik strak op het meisje op de grond houdt en de man naast me. “Een onmogelijke driehoek.”

“Als je nou weer mot krijgt, met die lul van IT, dan moet je even terugdenken aan dit beeld”, zeg ik. Hij grinnikt. “En dan?”, zegt hij. “Dan kan je weer even voelen hoe woedend en hoe bang je hiervan bent geworden. En dan krijgt die lul van IT de portie boosheid die klopt bij het hier en nu en niet de boosheid van ooit er ook nog bij.” “Oh ja”, zegt hij en hij knikt. Ik bedank de representanten en sta samen met hem weer op. 

Nadat we de training hebben afgerond loopt hij naar me toe. “Ik kom denk ik nog wel een keer bij je terug”, zegt hij. “Je bent van harte welkom”, zeg ik.

Een paar weken later krijg ik een mail van hem. “Ik zou graag de rest van de afgelopen 50 jaar ook nog even willen doornemen”, schrijft hij.

Iedereen loopt krassen en butsen op in het leven. Voor sommigen zijn dat kleine littekens, voor anderen diepe verwondingen. Maar we worden er allemaal door gevormd. En of je nou wil of niet, je neemt je persoonlijke geschiedenis ook mee naar je werk. Ook daar herhaal je oude patronen met collega’s, met leidinggevenden en met klanten. Vaak gebeurt dat zonder dat je dat zelf heel bewust doorhebt. Het zijn die gedragingen of gevoelens die steeds terugkomen en waar je maar weinig invloed op lijkt te hebben. Die patronen zijn bijzonder hardnekkig, omdat ze zo diep in onze identiteit zijn ingesleten.

Die ene collega, waar je iedere keer mee in conflict raakt, zoals de man in dit verhaal. Die leidinggevende door wie je je steeds niet gezien voelt en waarbij dat je onevenredig diep raakt. Die klant, die je om de een of andere reden steeds veel meer geeft dan waar hij voor betaalt en voor wie je het zo graag goed wil doen. Die meetings waarbij je alsmaar bevriest en je niet durft te laten zien en horen, terwijl je rationeel toch weet dat je hele leuke collega’s hebt. En zo zijn er talloze voorbeelden denkbaar.

Als een specifiek thema steeds weer terugkomt, dan is het zinvol om dieper te kijken. Ook bij een werkgerelateerd vraagstuk. Het aanleren van nieuwe vaardigheden helpt je dan meestal niet voldoende verder. De oorsprong en daarmee de oorzaak ligt niet bij een gebrek aan vaardigheid.

Ook de man in dit verhaal ontbreekt het niet aan vaardigheden. Tot het moment dat er iets van zijn machteloosheid wordt getriggerd. Dan wordt er een heel oud gevoel aangeraakt en is zijn enige optie nog om de strijd aan te gaan. De vaardigheden die hij bezit, heeft hij in zo’n situatie dan niet meer tot zijn beschikking. Zonder dat hij het doorheeft, reageert hij vanuit hele oude overlevingsmechanismen. Hij reageert zoals hij dat als kind heeft moeten doen, of zoals hij dat als kind geleerd heeft.

Om vanuit je volwassen bewustzijn te kunnen reageren, is het van belang om eerst scherp in beeld te krijgen in welke oude verhalen jij terecht komt in het hier en nu. Wanneer je doorkrijgt hoe en wanneer je je persoonlijke geschiedenis herhaalt, ontstaat er ruimte voor nieuwe keuzes en kan je de vaardigheden die je hebt, weer gaan leren inzetten, ook in situaties waarin het lastig of spannend voor je wordt.

*Al mijn artikelen zijn geplaatst met toestemming van de hoofdpersoon. Namen zijn gefingeerd.

*Schilderij van Rogier Willems.

Wil je ook stappen zetten in je leiderschap of persoonlijke ontwikkeling? Bekijk dan ons aanbod.

Deel deze pagina

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on whatsapp

Geen blogs missen?

Deze website maakt gebruikt van cookies. Lees er hier meer over.