Hoe we in contact met onze kinderen ons eigen verleden tegenkomen

Tijdens de eerste dag van de Masterclass Persoonlijk Leiderschap zit hij wat verstijfd op zijn stoel. Zijn stoel staat voor een gordijn dat tot op de vloer hangt. Gedurende de dag lijkt het alsof hij zijn stoel steeds een centimeter verder naar achteren schuift, net zolang tot hij vlak voor de lunch bijna ‘in’ het gordijn zit.

De rest van de deelnemers staat op om te gaan lunchen, maar hij blijft nog even zitten. Hij drukt zijn lijf tegen de rugleuning van zijn stoel en ademt snel en hoorbaar. Een man die goed is in vertrekken, zelfs als zijn lijf blijft zitten.

In de coachingsessies die ik eerder met hem had, heb ik gemerkt dat grapjes helpen om hem er weer bij te roepen. Wanneer er te veel strengheid zit in mijn pogingen om hem weer naar ‘hier’ te halen, schrikt hij en is hij vervolgens nog verder weg.

“Gaat degene achter het gordijn ook mee lunchen?” vraag ik met een glimlach. Hij lacht en beweegt naar voren. “Je hebt wel een mooie verstopplek uitgekozen” zeg ik. Hij knikt. “Ik zie een beetje op tegen wat er allemaal nog komen gaat. Ik weet dat ik aan de bak moet”, zegt hij. “Niks moet”, zeg ik. “Maar als je niet aan de bak gaat, is het wel een beetje zonde van je geld.” Hij grijnst en we wandelen richting de ruimte waar de lunch wordt geserveerd.

Hij gaat gericht en zorgvuldig te werk als deelnemer in deze training. Hij schrijft veel op in zijn opschrijfboekje. Hij zoekt me in de pauzes regelmatig op om met me te filosoferen over de taal waarin hij zijn leervragen moet vatten. Het is belangrijk voor hem dat het heel precies klopt. Als je naar zijn lijf kijkt, dan vindt de meeste actie plaats in zijn hoofd. Zijn romp en zijn armen en benen zijn wat verstrakt, zeker wanneer het spannend wordt, of wanneer hij geraakt wordt.

De directe aanleiding om in dit traject te stappen waren de woede-uitbarstingen die hij had naar zijn jongste zoon. “Die kloppen niet”, zei hij daarover. Het gebeurt vooral wanneer hij er al de hele dag voor zijn zoon is geweest en die dan vervolgens nog meer van zijn aanwezigheid vraagt.

Hij komt om iets te leren over doen en beleven, in plaats van altijd maar denken, vertelde hij in de kennismakingsronde. Over deelnemen en instappen in plaats van afwachten. En in het algemeen iets over voelen, voegde hij er nog aan toe.

Denken hoeven we hem inderdaad niet meer te leren. Dat kan hij goed en dat doet hij veel. “Met denken heb ik de touwtjes in handen”, zegt hij daarover.

Als je goed bent in denken, dan is voelen soms heel beangstigend. Dan kan het idee ontstaan dat je overspoeld zal worden door je eigen gevoelens en dat je erin zal verzuipen. Mensen met die angst zijn er vaak ook bijzonder goed in om zo min mogelijk contact te maken met hun eigen lijf. Zodra ze dat zouden doen, dan gaan ze immers voelen en dat proberen ze koste wat kost te voorkomen. 
Doorgaans hebben ze daar trouwens hele goede redenen voor, die heel uiteenlopend zijn. Ze hebben jong geleerd dat voelen verboden was, omdat ze op hun donder kregen wanneer ze hun gevoelens uitten. Of één of beide ouders waren heel goed in voelen, maar hadden weinig op met denken en waren daardoor wankel. Dan is het niet zo gek dat je als kind besloot: voelen maakt labiel, dat gaat mij niet gebeuren. Of er viel iets te voelen dat zo groot, of beangstigend of pijnlijk was, dat je niet anders kon dan dat niet toe te laten. En zo zijn er nog een hoop ervaringen die kunnen leiden tot dezelfde conclusie: voelen is gevaarlijk.

In zijn geval is de aanleiding om niet meer al te veel te willen voelen waarschijnlijk tweeledig. Toen hij vier was maakte zijn vader een eind aan zijn leven. Zijn moeder vertelde hem toen dat zijn vader ziek was. Hij ging niet mee naar de begrafenis. Toen hij elf was vertelde zijn moeder hem dat zijn vader manisch depressief was, in een psychose terecht kwam toen zelf een einde aan zijn leven maakte. “Het eerste dat ik vroeg was: is het erfelijk?”, vertelde hij me. Hijzelf is nu precies even oud als zijn vader toen die een eind maakte aan zijn leven.

Twee steengoede redenen om een poging te doen om te stoppen met voelen en de touwtjes in handen te houden. De pijn van het verliezen van je vader op je vierde en de angst voor gekte.

“Even wat boosheid afromen”

Tijdens de derde trainingsdag komt Robin van Soolingen in de middag een boksclinic geven. Als Robin bezig is zijn boksspullen neer te leggen komt hij binnen. Hij drentelt door de ruimte. Aan alles in zijn lijf is te zien hoe spannend hij het vindt. Hij loopt een klein beetje op zijn tenen en zijn gezicht is bleker dan vanochtend.

Ik maak me een beetje zorgen als ik hem zie boksen. Hij knippert steeds nadrukkelijk met zijn ogen en zijn ademhaling is hoog en oppervlakkig. Het lijkt erop dat hij in een soort flipperkast terecht komt tussen hoofd en lijf en tussen denken en voelen en dat dat een flinke dosis paniek oplevert. Roos en ik lopen naar hem toe. “Ik ben heel duizelig”, zegt hij hijgend. Roos doet een oefening met hem om hem te helpen zijn lijf weer goed te kunnen voelen. Dat helpt.

Maar even later lijkt hij opnieuw uit zijn lijf te zijn vertrokken. Zijn ogen zijn ver open gesperd en hij kijkt onrustig om zich heen. Ik loop naar Robin toe. “Ik maak me een beetje zorgen”, zeg ik, terwijl ik in zijn richting knik. “Laat mij maar even”, zegt Robin. Hij pakt een bokskussen uit zijn tas, gaat voor hem staan en wacht tot hij goed oogcontact met hem heeft. “Even wat boosheid afromen”, zegt Robin tegen hem.

Eerst sparren ze een partijtje, waarbij over en weer een paar rake klappen vallen. Dan nodigt hij hem uit om in het kussen te slaan, met alle kracht die hij in zich heeft. Er volgt een soort explosie. Robin moedigt aan en hij slaat en slaat en slaat. Na een tijdje zegt Robin: “Genoeg voor nu, kom nog maar eens terug voor deel twee”. Hij richt zich op en kijkt de groep rond. Het zweet loopt in straaltjes over zijn gezicht, er staan tranen in zijn ogen en daaronder bevindt zich een enorme grijns. “Zo!”, zegt hij. “Lekker!”

Tijdens de reflectieronde die volgt is de lach op zijn gezicht nog steeds aanwezig. Hij lijkt wakkerder en veel meer aanwezig dan eerder. Haast een andere man, dan de man die op de eerste dag bijna in het gordijn verdween.

Het is ontroerend om te zien hoe goed het hem doet om op deze manier oog in oog te staan met een andere man en hoe dat hem helpt om voorbij de aanpassing te komen.

“Ik ben bang dat ik nog iets met mijn vader moet”

Tijdens de vierde en laatste dag werken we min of meer zonder programma met een laatste leervraag van iedere deelnemer. Een vervolgstap op wat vooraf is gegaan, of een thema dat nog onvoldoende aan bod is gekomen en waar nog een stap in gezet moet worden.

Hij meldt zich als een van de laatsten. “Het moet er maar van komen”, zegt hij. “Waarvan?” vraag ik. “Ik ben bang dat ik nog iets met mijn vader moet”, zegt hij. Ik knik. “Wil je de zwarte piste of de rode piste?” vraag ik. “De zwarte”, zegt hij. “Dan moet je wel aan de bak”, zeg ik. “Ja, maar anders is het zonde van mijn geld toch?”, zegt hij met een lach. “Dat is zo”, zeg ik.

Ik vraag hem om uit de groep een man te kiezen die zijn vader representeert. En ik aarzel even of ik die zal vragen om te gaan staan, of om te gaan liggen. De zwarte piste voor een deelnemer is voor mij als begeleider evengoed de zwarte piste. En dan is het soms verleidelijk om het net iets minder pijnlijk te maken, of iets mooier. “Onder ogen komen hoe het was heelt”, zei een van mijn opleiders daarover. “Daar hoeven we niet in gematst te worden.”

Die woorden geven me nu de moed om de stappen met hem te zetten die er nodig zijn.

Ik vraag de man die zijn vader representeert om op de grond te gaan liggen. Hij kijkt naar de man die daar ligt en slaat zijn handen voor zijn gezicht. “Nee”, zegt hij zacht. Dat ik niet direct twijfel heb over de juistheid van deze interventie, kan niet wegnemen dat ik me een soort beul voel.

 “We gaan naar hem toe en ik loop met je mee”, zeg ik. Hij ademt snel en kijkt me aan met de grote ogen die ik de dag daarvoor al zag tijdens het boksen. Dan ademt hij diep in en kijkt omhoog. “Luister naar me”, zeg ik. “Als je eruit begint te flippen, dan ga ik grapjes maken, om je weer hier terug te krijgen oké?” Hij knikt.

Ik sta naast hem en wacht totdat hij de eerste stap zet. Dat duurt lang. Na de eerste stap volgen een tweede en een derde stap. Dan klapt zijn lijf ineens dubbel. Alsof iemand hem een keiharde stomp in zijn maag heeft gegeven. Zijn ademhaling versnelt en begint te lijken op hyperventilatie. “Kijk me aan”, zeg ik vrij directief. Hij reageert niet. “Kijk me aan”, zeg ik nog eens. Hij kijkt mijn richting uit met een wat verwilderde blik. Ik wacht tot ik zijn ogen heb kunnen vangen en echt contact met hem heb. “Stamp even op de grond”, zeg ik, om hem te helpen zijn voeten weer te voelen. Hij doet wat ik zeg.

Dan kijkt hij weer naar de man op de grond, waar hij nu een meter of vier bij vandaan staat en zet nog een volgende stap. Stap voor stap komt hij dichterbij. Een tocht van een paar meter met de intensiteit van een bergbeklimming.

De enige manier waarop ik met hem in contact kan blijven is door heel directief te zijn. Het verdriet laat zijn lijf in ongecontroleerde bewegingen alle kanten uit schieten. Het gaat door merg en been en ik voel hoe mijn hart in mijn keel klopt. Hij gaat naast de man op de grond liggen en doet zijn ogen dicht. “Kijk maar”, zeg ik, veel zachter nu dan net. Hij opent zijn ogen en zijn lijf zucht en ontspant. De ogen van de twee mannen vinden elkaar. Het is muisstil in de ruimte. Hij kijkt indringend naar de man die naast hem op de grond ligt. Het is lang stil. “Ik was je kwijt”, fluistert hij dan.

“Onder ogen komen hoe het was heelt”

Zo liggen ze daar een tijdje. Een vierjarig kind in het lijf van een volwassen man, tegenover zijn vader. Een kleine herkansing op een afscheid dat er ooit niet kon zijn. Al weet ik dondersgoed dat een interventie als deze niets kan rechtzetten, wegpoetsen of oplossen. Dit gaat niet meer over. Maar het helpt wel om het gemis onder ogen te zien, hoe pijnlijk dat ook is, om een beetje beter te snappen waar je in het hier en nu tegenaan loopt.

Ik kijk naar ze en realiseer me dat ik opnieuw een beul moet zijn om dit ook weer te af te breken. De weg terug is vermoedelijk niet minder pijnlijk dan de heenweg. Ik hurk naast de twee mannen. “Ik weet dat je hier misschien wel eindeloos zou willen blijven liggen”, zeg ik. Hij knikt. “Maar ik neem je toch ook weer mee naar 2020.”

“Kinderen landen op de plek waar het pijn doet”

Langzaam staat hij op, kijkt nog een keer om en zucht. “Je krijgt nog een hier-en-nu-toetje”, zeg ik. Hij kijkt me niet begrijpend aan. “Kies eens iemand die staat voor jouw zoon”, zeg ik. Hij kiest een man uit de groep en ik zet ze tegenover elkaar.

Hij kijkt ontroerd in de ogen van de man tegenover hem. “Hoe heet je zoon?” vraag ik. “Sem”, zegt hij. “Hoe oud is Sem?” “Vier” antwoord hij. “Net zo oud als jij toen”, zeg ik en ik realiseer me terwijl ik het zeg, dat het volstrekt overbodig is om dit nog te benoemen, omdat het kwartje al wel is gevallen.

“Ik geef je een zin om uit te spreken. Als mijn woorden niet kloppen, dan kan je je eigen woorden gebruiken”, zeg ik. Hij knikt. “Lieve Sem”. Hij herhaalt mijn woorden. “Als ik er voor je ben, dan kan ik zo voelen dat mijn vader er niet meer voor mij was, dat mijn woede daarover bij jou terecht komt.” Hij kijkt geschrokken naar mij en dan naar de man tegenover hem, die zijn zoon representeert. Er volgt een schrikkerige snik. “Ja”, zegt hij. “Dat is zo.” Ik twijfel even of ik hem de zin nog zal laten herhalen, maar ik geloof niet dat dat nog nodig is. Hij knikt hevig. “Wat erg”, zegt hij verdrietig.

“Wel heel fijn voor Sem dat hij een vader heeft die bereid is om dit aan te gaan”, zeg ik. “Vertel Sem maar over zijn opa.”

Die avond krijg ik een appje van hem dat hij Sem voor het slapen gaan foto’s heeft laten zien van opa Kees.

“Kinderen landen op de plek waar het pijn doet” leerde ik ooit. Onze kinderen laten ons kijken waar we liever niet meer kijken. Ze zijn geweldige en soms niets ontziende spiegels voor ons eigen gemis en verlangen. 
In contact met mijn kinderen kom ik meedogenloos het tegenover het kind te staan dat ik ooit was. Of ik nou wil of niet. En wat zou ik ze graag ongeschonden laten opgroeien. Ook al weet ik dat dat niet gaat. Dat ze hun eigen lot hebben en recht hebben op hun eigen worstelingen.
Wat je als ouder wel kan doen is de bereidheid hebben om je eigen gemis onder ogen te zien. Dan worden jouw worstelingen minder ook die van je kinderen. De man in dit verhaal zei het zo treffend: “Die woede-uitbarstingen, die kloppen niet.”Kunnen zien wat er in het hier en nu niet klopt en de moed vinden om terug te kijken hoe dat met je eigen geschiedenis te maken heeft is niet alleen goed voor je kinderen. Ook voor je geliefde, je medewerkers of je baas. En niet in de laatste plaats voor jezelf. Als je kan zien hoe je geschiedenis verweven is geraakt met het hier en nu, dan ontstaat er ruimte voor nieuwe keuzes. 

*Alle artikelen/blogs zijn geplaatst met toestemming van de hoofdpersoon. Namen zijn gefingeerd.

Wil je ook stappen zetten in je leiderschap of persoonlijke ontwikkeling? Bekijk dan ons aanbod.

Deel deze pagina

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on whatsapp

Geen blogs missen?

Deze website maakt gebruikt van cookies. Lees er hier meer over.